Otto werd op 23 januari 1925 geboren in Styal, Alberta, als zoon van Amandus en Frieda Burian, die in 1914 een maand voor het uitbreken van WO 1 vanuit Duitsland naar Canada geëmigreerd waren. Otto was de jongste van de zeven broers en drie zussen. Toen hij 5 jaar was, verhuisde de familie naar British Columbia waar zij zich uiteindelijk vestigden in Maillardville, een gebied bij New Westminster, nu deel uitmakend van de stad Coquitlam bij Vancouver.

Hij werkte in een gieterij en was lid van the United Church.

Hij hield van softbal, om op zijn gitaar te spelen en had belangstelling voor auto’s. Hij bracht, met zijn broers en zussen, zijn vrije tijd door in Yukon en werkte als medewerker in een gieterij voordat hij op 21 oktober 1943 in dienst ging bij het Canadese leger. Twee van zijn broers dienden eveneens daarin en overleefden de oorlog gelukkig wel.

De militaire gegevens van Otto zien er als volgt uit:

Van 21 oktober 1943 – april 30, 1944 kreeg hij in Canada zijn basistraining
Van 7 mei 1944 – 12 juni 1944 was hij in het Verenigd Koninkrijk bij the 1st Canadian Infantry. Vervolgens bij de Reinforcement Unit en het 1st Bn Canadian Scottish Regiment.
Van 13 juni 1944 – 28 maart 1945 vocht hij , bij het 1st Bn Canadian Scottish Regiment in Frankrijk, NW Europa en tenslotte in het Rijnland offensief .

Zijn rangen waren als volgt:
21 October 1943 – 7 januari 1944 – Private
8 januari 1944 – 23 februari 1944 – Lance Corporal
24 februari – 28 maart – Acting Corporal

Otto raakte op 15 augustus 1944 tijdens gevechten gewond door een granaatscherf in zijn rug. Hij keerde op 29 augustus weer terug aan het front en sneuvelde uiteindelijk op woensdag 28 maart 1945 op de leeftijd van 20 jr. in the D-Coy, in de buurt van Emmerich (Duitsland). Hij werd tijdelijk begraven in Vrasselt bij Emmerich en daarna op 13 februari 1946 herbegraven in Groesbeek.

Op zijn grafsteen: IN THE HEARTS OF THE ONES WHO WILL NEVER FORGET HIM. MOTHER AND FATHER

Zijn medailles: 1939-45 Star, France-Germany Star, War Medal, and CVSM & Clasp.

Geschreven door zijn neef, Harvey J. Burian, Parksville, British Columbia.